zondag 1 november 2015

Van de Mus en de Cavia..

Ik zit achter mijn laptop in de kamer als ik diep in mijn onderbewustzijn een vreemd geluid bespeur, eerst nog onopgemerkt, even later kijk ik geërgerd achter me, wat doet die hond nu weer vreemd.
Ik typ weer door waar ik was gebleven, en dan is het er weer; een soort dof getik. Wat is dit toch.
Ik kijk opnieuw achter me. Het is muisstil in huis. Hond slaapt. Oudste zit aan de keukentafel te werken en dochter hangt in de stoel met ogen op smartphone stand.
Dan ineens…ik geloof mijn ogen niet en kijk nog es goed.
Vanachter het zwartgeblakerde ruitje van de kachel kijken twee kraaloogjes me aan. 
Een Mus!
Als in een grijs-zwart gefilterd schilderijtje. Een stilleven lijkt het.


Ik gil het uit; nee dit geloof je niet, moet je hier nu zien, kijk nou joh!!!
 Grijp mijn telefoon en schiet uit mijn stoel om het van dichtbij te bekijken. 
Dan komt alles in actie; Mus fladdert de zwarte kacheldiepte in en ik roep
“doe die hond naar buiten, doe weg dan!!” 
Terwijl aangevlogen oudste al bijna het deurtje van de kachel vastpakt en dochter hond bij zijn halsband grijpt. In een tel trekt hij het deurtje open en geeft een gil van schrik omdat Mus via zijn gezicht de kamer in fladdert, samen duiken ze achter de stoel en na enig gegraai heeft ie ‘m in zijn grote mannenhand; een Angstig Hijgend Stoffig Geworden Mus. 


We lopen gedrieën naar buiten om hem de vrijheid te geven, maar mus blijft zitten op zijn inmiddels vlakke hand. Snaveltje open, happend naar lucht, 
totaal in shock constateren we.


 “Oma” roep ik, “breng ‘m naar oma” 
en terwijl we in colonne naar Buurvrouw-oma’s voordeur lopen, schiet me de cavia te binnen. 
“eind van de week is ze uitgeteld” had ze nog gezegd, toen ze er voor een paar dagen tussenuit ging deze week “maar ze zou je best deze dagen al kunnen verrassen”..  
Dat was niet gebeurd, maar met dit gegeven in mijn achterhoofd loop ik even langs de caviakooi voor ik naar binnen ga. En daar zie ik twee kleintjes rondhuppelen, 1 bewegingloos bolletje liggen en daarnaast een mini beestje op apegapen met nog een klein beetje stuiptrekkingen.
 Ooow…  
ik vlieg naar binnen waar inmiddels oudste en dochter in de deuropening van haar slaapkamer hun verhaal staan te doen met Mus. Buurvrouw-oma zelf klimt gehaast en met haar op slaapstand uit haar verstoorde middagslaapje, duikt haar bril en gehoorapparaten op en mompelt ondertussen “altijd fijn als je nodig bent”. Ik val alles en iedereen in de rede met het caviagebeuren waarop ze een verbouwereerde oudste met Mus op hand voorbijloopt en roept “eerst de kraamvrouw.”
Eenmaal bij de cavia-kooi aangekomen pakt ze de levenloze boreling op, luistert even, schudt wat en zegt droogjes “ Nee...die heeft dag gezegd”. Waarop de volgende wordt opgepakt, bekeken en terwijl ze ook hier aan voelt constateert ze hardop en bedenkelijk fronsend: “die zegt nog geen hallo.”
Hij mag mee de keuken in. gauw, een schaaltje water, en met in de ene hand een baby cavia pakt ze met de andere hand de ketel warm water van de kachel. Een schaaltje wordt gevuld, wat koud erbij, en hup, daar gaat mini in de tummytub. 



Even is het stil, dan spartelen zijn pootjes en geeft hij een kreetje. 
Ze masseert hem, geeft wat tikjes, wrijft hem droog, en blaast wat adem in zijn neusje.
 Dit ritueel herhaalt ze een paar keer en Mini komt weer wat tot leven. 
Terwijl oudste achter haar nog steeds met Mus op zijn inmiddels volgepoepte hand staat, 
  

wordt er een pannetje gepakt, wat zacht papier erin en daar gaat Mini op de kachel.
 “Ik doe niets anders” zegt ze, terwijl ze bezig is, “dan wat zijn moeder zou doen”, en Cavia strekt zijn pootjes. Hij valt om, en richt zich weer op. Hij piept wat, er zit leven in. Om deze hele tragikomedie nog hilarischer te maken roept Poter, de papegaai vanuit de kamer: “wie is daar?”  
“wie daar is?...”  antwoordt  Buurvrouw-oma, met mini cavia weer in haar handen voor wat newborn massage “ een wit met zwarte cavia… als ie hallo wil zeggen…” 



Mini gaat weer op de kachel en terwijl zij naar de cavia-kooi loopt, want wie weet wat de kraamvrouw nog meer voor verrassingen heeft,  kan onze aandacht weer even naar Mus, die inmiddels anders uit zijn ogen kijkt. Of het door die aandacht is, dat ontgaat ons, 
maar ineens fladdert hij op, richting keukenraam.
 Ik buig me direct over de wasbak vol sop en gil “pak em dan, straks verzuipt ie alsnog…”
Hijgend landt Mus in het raamkozijn, precies op de plek waar aan de andere kant van het raam de vogelvoederplank staat.
Nou, das mooi dan, zeg ik. Hup het raam open, die is dr weer klaar voor.
We openen het raam en mus hipt naar buiten. Zit nog even versuft om zich heen te kijken en in een tel vliegt hij op en verdwijnt.
 Dag Mus Dus.


Hè hè… ik moet hier even van bijkomen, en realiseer me ineens dat ik moest werken deze middag.
Als ik opgefrist en met jas en tas opnieuw even bij Buurvrouw-oma naar binnen loop staat ze met dochter over het pannetje-op-de-kachel gebogen.
Inmiddels liggen er drie mini’s.  


Want, zo legt ze uit, hij moet natuurlijk ook weer het geurtje krijgen van z’n broertjes.
 Mini zelf doet ’t weer, hij piept, knort en beweegt. Maar hij valt ook om, dan naar links, dan naar rechts. Hersenletsel, constateer ik beroepsmatig. Als die ’t maar redt…

En met heel dit verhaal fiets ik naar mijn werk. Waar ik het tijdens het avondeten in geuren en kleuren vertel aan de cliënten. “Dus als je vannacht iemand hoort hoesten buiten…”besluit ik, “dan weetje ’t hè… das dan die Mus, met nog een beetje roet in zijn longen”
Ze liggen in een deuk…


 Kortom...
Wat een dag weer mensen, 
ik zei het al…nooit saai hier..